Het AVB-examen is het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de motor. Je laat er zien dat je de motor ook buiten normaal rechtuit rijden onder controle hebt: bij lage snelheid, tijdens snelle manoeuvres en bij verschillende remoefeningen.
Er bestaan twaalf mogelijke AVB-oefeningen, verdeeld over vier clusters. Tijdens het examen krijg je er zeven. Vier oefeningen staan altijd vast en drie worden door de examinator uit de overige oefeningen gekozen. Je hoeft niet alle zeven voldoende te doen: minimaal vijf verschillende oefeningen moeten voldoende zijn en ook de verdeling over de clusters telt mee.
| AVB in het kort | |
|---|---|
| Aantal mogelijke oefeningen | 12 |
| Oefeningen tijdens het examen | 7 |
| Vaste oefeningen | 4 |
| Benodigd voor voldoende resultaat | Minimaal 5 van de 7 |
| Herkansing per onvoldoende oefening | 1 keer |
| Clusters | 4 |
| Examentijd | Ongeveer 20 minuten |
| Geldigheid positief AVB-resultaat | 1 jaar |
Wat is het AVB-examen?
AVB draait om voertuigbeheersing. Het CBR wil zien dat je een motor niet alleen kunt laten rijden, maar hem bewust en gecontroleerd kunt bedienen, sturen, afremmen en in balans houden.
Dat gebeurt op een examenterrein en niet tijdens een gewone rit door het verkeer. Daarmee verschilt AVB duidelijk van het AVD-examen voor verkeersdeelneming. Tijdens AVD gaat het juist om veilig en zelfstandig rijden op de openbare weg, met onder meer aandacht voor kijkgedrag, je plaats op de weg en het toepassen van verkeersregels.
Voor veel beginnende motorrijders is AVB het eerste echte praktijkexamen. Tijdens je lessen heb je de afzonderlijke oefeningen dan meestal al vaak uitgevoerd. Wil je eerst weten hoe de opleiding vanaf de allereerste les verloopt? Lees dan ook wat je tijdens je eerste motorrijles kunt verwachten.
Wanneer doe je AVB?
Welke examens je precies moet doen, hangt af van de motorcategorie die je wilt halen en van de rijbewijzen die je al bezit. Bij de normale instroomroute is AVB de voertuigbeheersingsfase vóór AVD.
Heb je een geldig Nederlands of ander geldig EU-, EER- of Zwitsers autorijbewijs B, dan mag je AVB doen zonder dat je al bent geslaagd voor het motortheorie-examen. Je moet dat rijbewijs dan wel bij het AVB-examen kunnen tonen. Voor het reserveren en afleggen van AVD heb je wél een geldige positieve uitslag van de motortheorie nodig. Die theorie-uitslag blijft achttien maanden geldig.
Er bestaan ook uitzonderingen voor bijvoorbeeld mensen die al een lichtere motorcategorie of bepaalde andere geldige documenten hebben. Bekijk daarom bij twijfel onze uitleg over A1, A2 en A en de verschillende routes naar het motorrijbewijs.
Wat heb je nodig voor het AVB-examen?
Neem in ieder geval een geldig identiteitsbewijs en de bevestiging van het praktijkexamen mee. In situaties waarin je theorie niet nodig hebt vanwege een rijbewijs of ander geldig document, moet je dat document eveneens kunnen tonen.
Ook je kleding moet aan de CBR-eisen voldoen. Je hebt een goedgekeurde, goed passende motorhelm nodig, stevige enkelbedekkende schoenen, handschoenen die handen en polsen beschermen, een broek die je benen volledig bedekt en beschermt en een jas die bovenlichaam en armen volledig bedekt en beschermt. De examinator bepaalt uiteindelijk of je uitrusting voldoende bescherming biedt om aan het examen deel te nemen.
Voor het AVB-examen zelf maakt het CBR een uitzondering op de Gezondheidsverklaring: je hoeft die voor dit examen nog niet ingediend te hebben. Voor het behalen van je motorrijbewijs heb je de Gezondheidsverklaring uiteindelijk wel nodig. Het CBR adviseert daarom om hem al aan het begin van je opleiding te regelen.
Zo verloopt het AVB-examen
Het praktijkexamen voertuigbeheersing duurt ongeveer twintig minuten. De examinator controleert eerst de benodigde documenten en legt uit hoe het examen verloopt. Daarna ga je naar het examenterrein.
Vervolgens doe je zeven oefeningen. Die komen uit vier verschillende clusters. De examinator bekijkt vanaf het terrein hoe je de motor beheerst. Als een oefening onvoldoende is, mag je die oefening één keer opnieuw uitvoeren. Na de oefeningen hoor je direct de uitslag.
De zeven oefeningen zijn niet willekeurig gekozen. De verdeling staat vast:
- Je doet de oefening uit cluster 1.
- Uit cluster 2 doe je de verplichte oefening plus één keuzeoefening.
- Uit cluster 3 doe je de verplichte oefening plus één keuzeoefening.
- Uit cluster 4 doe je de verplichte oefening plus één keuzeoefening.
Zo kom je uit op zeven oefeningen.
Dit zijn de 12 AVB-oefeningen
De twaalf bijzondere verrichtingen zijn verdeeld over lopen met de motor, oefeningen bij lage snelheid, oefeningen bij hogere snelheid en remoefeningen.
| Cluster | Oefening | Status | Wat laat je in hoofdlijnen zien? |
|---|---|---|---|
| 1 | Lopend achteruit parkeren | Verplicht | De motor lopend beheersen, achteruit in een parkeervak plaatsen en de standaard correct gebruiken |
| 2 | Langzame slalom | Verplicht | Balans en bediening bij zeer lage snelheid |
| 2 | Denkbeeldige acht | Keuze | Vloeiend twee gekoppelde bochten rijden binnen beperkte ruimte |
| 2 | Halve draai | Keuze | In beperkte ruimte gecontroleerd omkeren |
| 2 | Stapvoets rijden | Keuze | Rechtuit rijden op loopsnelheid met behoud van balans |
| 2 | Wegrijden uit parkeervak | Keuze | Vanuit stilstand gecontroleerd haaks wegrijden |
| 3 | Uitwijkoefening | Verplicht | Op hogere snelheid plotseling kunnen uitwijken zonder tijdens de uitwijkmanoeuvre te remmen |
| 3 | Snelle slalom | Keuze | In een regelmatig ritme bochten rijden bij hogere snelheid |
| 3 | Vertragingsoefening | Keuze | Versnellen, gecontroleerd vertragen en aansluitend een slalom uitvoeren |
| 4 | Noodstop | Verplicht | Maximale remming uitvoeren en de motor onder controle houden |
| 4 | Precisiestop | Keuze | Gecontroleerd en nauwkeurig binnen de voorgeschreven remweg stoppen |
| 4 | Stopproef | Keuze | Een krachtige, technisch beheerste remming uitvoeren |
De vier verplichte oefeningen krijg je dus altijd: lopend achteruit parkeren, de langzame slalom, de uitwijkoefening en de noodstop. De overige drie examenonderdelen worden door de examinator gekozen.
Cluster 1: lopend achteruit parkeren
Bij deze oefening staat voertuigbeheersing al centraal voordat je daadwerkelijk rijdt. Je loopt met de uitgeschakelde motor, parkeert hem achteruit in een denkbeeldig parkeervak, zet hem op de standaard, haalt hem daar weer vanaf en loopt weer uit het vak.
De examinator kijkt daarbij niet alleen of de motor uiteindelijk op de goede plaats staat. Ook het in balans houden van de motor en het gecontroleerd omgaan met de standaard horen bij de oefening.
Cluster 2: oefeningen bij lage snelheid
Bij lage snelheid kan een motor niet op dezelfde stabiliserende krachten rekenen als wanneer je vlot rijdt. Daarom wordt hier onder meer gekeken naar balans, bediening, stuurgedrag en kijktechniek.
De langzame slalom is in dit cluster verplicht. Het CBR schrijft daarvoor geen vaste snelheid voor. Het gebruik van de slippende koppeling maakt bij deze oefening expliciet onderdeel uit van de uitvoering.
De andere mogelijke oefeningen zijn de denkbeeldige acht, halve draai, stapvoets rijden en wegrijden uit een parkeervak. Bij al deze oefeningen gaat het uiteindelijk om dezelfde basis: rustig en bewust bedienen zonder dat de motor of jouw balans de baas over de situatie wordt.
Cluster 3: oefeningen bij hogere snelheid
De verplichte oefening in het derde cluster is de uitwijkoefening. Daarbij nader je de oefening met ongeveer 50 km/u en wijk je na het aangegeven punt uit. Tijdens het uitwijken gebruik je de remmen niet. Het doel is laten zien dat je de motor bij snelheid gericht van koers kunt veranderen en daarna weer onder controle hebt.
Daarnaast kan de examinator kiezen voor de snelle slalom of de vertragingsoefening. Bij de snelle slalom draait het om een vloeiende cadans en voldoende snelheid om de motor daadwerkelijk te laten afschuinen. De officiële Rijprocedure gebruikt 30 km/u daarbij als snelheidsindicatie. Bij de vertragingsoefening combineer je versnellen, afremmen en vervolgens gecontroleerd slalommen.
Cluster 4: de remoefeningen
De noodstop is altijd onderdeel van het AVB-examen. Je rijdt eerst 50 km/u en voert vervolgens een maximale remming uit waarbij je de controle over de motor moet behouden. Bij een motor met ABS is het aanspreken van ABS tijdens de noodstop op zichzelf geen negatief beoordelingspunt.
De andere mogelijke oefeningen zijn de precisiestop en de stopproef. Die lijken op het eerste gezicht op elkaar, maar het doel verschilt. Bij de precisiestop draait het om een gelijkmatig opgebouwde, nauwkeurig gedoseerde remming en een precieze stop. Bij de stopproef moet je stevig en technisch goed remmen, maar zonder er een noodstop van te maken.
Hoe wordt je AVB-examen beoordeeld?
Alle zeven oefeningen tellen mee en iedere oefening kan voldoende of onvoldoende worden beoordeeld. Een onvoldoende oefening mag je één keer opnieuw doen. Uiteindelijk moeten minimaal vijf van de zeven verschillende oefeningen voldoende zijn.
Daar komt een belangrijke voorwaarde bij. In clusters 2, 3 en 4 moet je volgens de CBR-Rijprocedure telkens minimaal één oefening voldoende uitvoeren. Daardoor is “je mag twee oefeningen fout doen” eigenlijk een te simpele uitleg. Twee onvoldoendes kunnen binnen de totale score passen, maar de verdeling over de clusters blijft bepalend.
Een verplichte oefening is dus vooral een oefening die de examinator altijd laat uitvoeren. Een onvoldoende op bijvoorbeeld de verplichte langzame slalom betekent niet automatisch dat het examen onmiddellijk verloren is. Als de herkansing onvoldoende blijft, moet je met de andere oefening uit dat cluster en met je totale resultaat nog steeds aan de slagingscriteria voldoen.
Waar kijkt de examinator naar?
AVB is meer dan pylonen wel of niet raken. De officiële beoordeling draait om de manier waarop je de motor beheerst.
Het CBR noemt daarbij onder meer een juiste bediening van gas, koppeling en remmen, correct stuurgedrag met passende kijktechniek en lichaamshouding en het bewaren van balans. Per oefening gelden daarnaast specifieke eisen.
Dat verklaart ook waarom het weinig zin heeft om alleen een parcours uit je hoofd te leren. Je moet de techniek achter de oefening beheersen.
Praktische tips voor je AVB-examen
Vanaf hier gaat het om praktijkadvies en niet om aanvullende officiële CBR-eisen.
Begrijp wat iedere oefening test. Wie alleen onthoudt bij welke pylon hij gas moet geven of moet insturen, maakt zichzelf afhankelijk van een vast kunstje. Begrijp je dat een oefening bijvoorbeeld draait om balans, kijktechniek of remdosering, dan kun je beter corrigeren wanneer de uitvoering niet precies loopt zoals tijdens je les.
Kijk waar je naartoe wilt. Vooral tijdens korte bochten, de acht en slaloms is het verleidelijk om naar een pylon of vlak vóór het voorwiel te kijken. Je instructeur leert je juist vooruit en door de manoeuvre heen te kijken. Maak daarvan een automatisme voordat je examen doet.
Maak van lage snelheid geen gevecht met het stuur. Rustige bediening helpt meer dan grote correcties. Gas, koppeling en waar passend de achterrem gebruik je samen om de motor beheerst te houden. Volg hierbij de techniek die je instructeur je op jouw lesmotor heeft aangeleerd.
Ken het verschil tussen de remoefeningen. Een noodstop vraagt iets anders van je dan een precisiestop. Als je iedere remoefening benadert alsof je zo hard mogelijk moet stoppen, mis je juist wat er wordt getoetst.
Oefen ook complete reeksen. Tijdens lessen worden moeilijke onderdelen gemakkelijk tien keer achter elkaar gereden. Op het examen moet je juist kunnen omschakelen van langzaam manoeuvreren naar een snellere oefening of remming. Een paar keer een examengerichte reeks rijden kan daarom nuttiger zijn dan alleen je favoriete oefening blijven herhalen.
Laat een mislukte poging los. Een onvoldoende oefening mag eenmaal opnieuw. Gebruik die mogelijkheid om opnieuw de techniek uit te voeren die je hebt geleerd in plaats van tijdens de herkansing haastig te proberen de vorige fout te compenseren.
Oefen AVB onder begeleiding en op geschikt terrein. Een uitwijkmanoeuvre of noodstop op examensnelheid is geen oefening om zelf ergens op de openbare weg uit te proberen. Gebruik daarvoor je rijlessen en een geschikt oefenterrein.
Geen van deze tips verandert de officiële eisen en geen enkele methode garandeert dat je slaagt. Je rijinstructeur kan het beste beoordelen welke onderdelen van jouw eigen voertuigbeheersing nog extra training nodig hebben.
Wat gebeurt er als je AVB hebt gehaald?
Een positief AVB-resultaat is één jaar geldig, gerekend vanaf de dag waarop je bent geslaagd. Binnen die periode kun je het verdere traject richting AVD afleggen, mits je ook aan de overige voorwaarden voor dat examen voldoet.
Voor AVD moet je onder meer een geldige positieve motortheorie-uitslag hebben. Heb je AVB met bijvoorbeeld alleen je geldige autorijbewijs B kunnen doen en moet je de motortheorie nog halen, dan moet dat dus vóór AVD gebeuren. Lees daarvoor onze uitleg over het theorie-examen voor de motor.
Daarna verschuift de aandacht van manoeuvres op een examenterrein naar veilig en zelfstandig rijden tussen ander verkeer. In onze gids over het AVD-examen motor lees je hoe dat tweede praktijkexamen is opgebouwd.
Wil je eerst het complete traject nog eens overzien? Bekijk dan hoe je stap voor stap je motorrijbewijs haalt.